Nederland moet meer defensiematerieel zelf en samen met Europese partners kunnen ontwikkelen en produceren. Dat is de kern van de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie die op 4 september is gepubliceerd. Het rapport, gemaakt in opdracht van het kabinet, pleit voor een overheid die actiever stuurt op productiecapaciteit, innovatie en leveringszekerheid.
De analyse draagt de titel 'Met markt en macht opschalen'. Die formulering vat de koers samen: de defensiemarkt kan volgens de opstellers niet alleen worden overgelaten aan losse aanbestedingen en individuele bedrijven. De overheid moet duidelijker aangeven welke capaciteit nodig is, strategische keuzes maken en bedrijven meer zekerheid geven over toekomstige vraag.
Daarbij gaat het niet uitsluitend om grote wapenproducenten. Defensie benadrukt dat juist kleinere en middelgrote bedrijven vaak technologie ontwikkelen die bruikbaar kan zijn voor de krijgsmacht. Volgens het rapport duurt het nu te lang voordat zulke innovaties van een prototype of test naar daadwerkelijke afname en grootschalige productie gaan.
Een van de voorgestelde oplossingen is het eenvoudiger maken van testen en demonstreren. Bedrijven moeten sneller toegang krijgen tot testmogelijkheden en Defensie moet eerder kunnen beoordelen of een technologie operationeel bruikbaar is. Daarna moet de overgang naar bestelling en opschaling minder stroperig worden.
Ook Europese samenwerking krijgt een centrale plaats. Nederland heeft onvoldoende schaal om alle militaire systemen zelfstandig te ontwikkelen en te produceren. Het rapport kiest daarom voor samenwerking met Europese partners, gezamenlijke inkoop en sterkere posities in internationale productieketens op terreinen waar Nederlandse bedrijven relatief sterk zijn.
Dat kan economisch voordeel opleveren. Wanneer Nederland zich specialiseert in technologieën waarin het al kennis en bedrijven heeft, kunnen hogere defensie-uitgaven niet alleen materieel opleveren voor de krijgsmacht, maar ook export, werkgelegenheid en innovatie stimuleren. Tegelijk waarschuwt het rapport voor een te grote afhankelijkheid van buitenlandse grondstoffen en onderdelen.
De analyse komt niet uit het niets. Defensie heeft eerder aangegeven 1,15 miljard euro over meerdere jaren te investeren in het opschalen en versterken van de Nederlandse defensie-industrie. Daarbij horen onder meer financieringsinstrumenten voor defensiebedrijven, samenwerking met industriële partijen en investeringen in productielijnen en innovatieve technologie.
De huidige discussie gaat daarom vooral over de manier waarop dat beleid structureler en sneller kan worden. In een sector waarin producten vaak lange ontwikkel- en certificeringstrajecten hebben, is een plotselinge bestelling niet genoeg om productiecapaciteit direct te verdubbelen. Bedrijven moeten personeel aantrekken, leveranciers vastleggen, fabrieken aanpassen en soms nieuwe vergunningen verkrijgen.
Daar komt een strategische vraag bij: welke onderdelen wil Nederland zelf kunnen maken, en waar is Europese afhankelijkheid juist logisch? Volledige zelfvoorziening is nauwelijks haalbaar. Het rapport stuurt daarom op selectieve versterking van eigen capaciteiten in combinatie met Europese schaal.
Voor het bedrijfsleven betekent een actievere overheid ook dat de relatie met Defensie verandert. De overheid wordt niet alleen klant, maar in sommige gevallen ook investeerder, launching customer of partner bij innovatie. Dat kan kansen bieden, maar stelt ook eisen aan transparantie, concurrentie en de keuze welke technologieën publieke steun krijgen.
In november wil het kabinet uitgebreider reageren op de aanbevelingen. Dan moet het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie verschijnen. Daarin wordt concreter welke maatregelen worden genomen, welke sectoren prioriteit krijgen en hoe overheid, krijgsmacht, bedrijven en kennisinstellingen moeten samenwerken.
Tot die tijd ligt er vooral een richting: meer productiecapaciteit in Nederland en Europa, minder kwetsbare afhankelijkheden en een kortere weg van idee naar inzetbaar materieel. De politieke discussie zal de komende maanden draaien om de vraag hoeveel sturing, geld en risico de overheid daarbij op zich wil nemen.