De bewering dat jongeren van Generatie Z lui zijn, is niet gebaseerd op bewijs. Dat stelt Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt, in reactie op het voorstel van VVD'er Ruben Brekelmans dat veel meer jongeren vijf dagen per week moeten gaan werken. Volgens Wilthagen is het beeld van de luie jongere een misvatting die voorbijgaat aan de bredere arbeidscultuur in Nederland.
«Wat verwacht je als het in onze samenleving ingebakken zit dat we werken om te leven en niet andersom?» zegt Wilthagen. «Ze volgen het patroon van hun ouders.» Daarmee plaatst hij de discussie over de inzet van jongeren in een bredere context: de manier waarop Nederlanders tegen werk aankijken, is niet iets van deze generatie alleen, maar een patroon dat van generatie op generatie wordt doorgegeven.
Het debat over de werkbereidheid van jongeren laaide recent op nadat Brekelmans, namens de VVD, ervoor pleitte dat meer jongeren een volledige werkweek van vijf dagen zouden moeten draaien. Dat voorstel past in een bredere politieke discussie over arbeidsdeelname en de krapte op de arbeidsmarkt. Wilthagen weerlegt echter de suggestie dat jongeren structureel minder zouden willen werken dan eerdere generaties. Hij wijst erop dat het beeld van de luie Gen Z niet wordt ondersteund door bewijs.
De hoogleraar arbeidsmarkt benadrukt dat jongeren opgroeien in een samenleving waarin de balans tussen werk en privéleven centraal staat. Nederlanders werken al decennialang in deeltijd en hechten waarde aan vrije tijd. Dat jongeren dat voorbeeld volgen, is volgens Wilthagen dan ook geen teken van luiheid, maar een logische reactie op de normen die zij van huis uit meekrijgen. «Ze volgen het patroon van hun ouders», aldus Wilthagen.
De uitspraken van Wilthagen komen op een moment dat de arbeidsmarkt onder druk staat. Werkgevers kampen met personeelstekorten en de roep om meer arbeidsdeelname klinkt breed. Tegelijkertijd is er discussie over de vraag of jongeren wel genoeg uren maken. Het voorstel van Brekelmans om jongeren vijf dagen per week te laten werken, sluit aan bij die zorg. Wilthagen plaatst echter vraagtekens bij de onderbouwing van dat voorstel. Volgens hem ontbreekt het bewijs dat jongeren minder gemotiveerd zouden zijn dan oudere generaties.
De discussie over Generatie Z op de arbeidsmarkt is niet nieuw. Regelmatig duiken berichten op dat jongeren liever niet fulltime werken, vaker van baan wisselen of meer waarde hechten aan zingeving dan aan salaris. Wilthagen relativeert dat beeld. Hij ziet dat jongeren zich net als eerdere generaties voegen naar de verwachtingen die in hun omgeving leven. Als hun ouders in deeltijd werken en een evenwichtig leven nastreven, is het niet verrassend dat jongeren dat voorbeeld volgen.
De hoogleraar pleit er dan ook voor om de discussie niet te voeren op basis van vooroordelen, maar op basis van feiten. Het etiket «lui» voor een hele generatie doet volgens hem geen recht aan de werkelijkheid en leidt af van de echte vragen over arbeidsmarktbeleid. Wilthagen benadrukt dat het debat gebaat is bij nuance en bewijs, in plaats van generalisaties over jongeren.
Het voorstel van Brekelmans en de reactie van Wilthagen maken deel uit van een bredere maatschappelijke discussie over werk, welvaart en de inrichting van de arbeidsmarkt. Terwijl politici aandringen op meer werkuren, wijzen arbeidsmarktdeskundigen op de culturele en economische factoren die het werkgedrag van jongeren bepalen. De komende tijd zal blijken of het beeld van de luie Gen Z standhoudt in het publieke debat, of dat het plaatsmaakt voor een genuanceerder perspectief.