Wireva

Nieuwe cijfers tonen ongelijke onderwijskansen per school en gemeente

Uit nieuwe data blijkt dat leerlingen in Vlaanderen niet aan dezelfde streep starten: het aantal kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt of een schooltoeslag krijgt, verschilt sterk per school en gemeente. Onderwijssocioloog Mieke Van Houtte wijst op de inrichting van het onderwijs als deel van de oplossing.

Dit bericht is met AI-ondersteuning gemaakt onder redactionele verantwoordelijkheid van Haydamax OÜ.

Nieuwe cijfers over gelijke onderwijskansen leggen grote verschillen bloot tussen scholen en gemeenten in Vlaanderen. Leerlingen starten niet aan dezelfde streep: in sommige scholen spreekt een groot deel van de kinderen thuis geen Nederlands, in andere is dat uitzonderlijk. Ook het aantal gezinnen dat een schooltoeslag ontvangt, verschilt sterk. De data zijn verzameld via de vernieuwde HLN Schoolwijzer en de databank ‘Provincies in Cijfers’.

De cijfers tonen een duidelijke kloof tussen stad en platteland. In stedelijke gebieden is de concentratie van leerlingen met een achterstand groter dan op het platteland. Dat betekent niet dat er op het platteland geen kinderen met een achterstand zitten, maar de verhoudingen liggen er anders. Voor scholen in steden komt daar nog eens bij dat ze vaak te maken hebben met een grotere diversiteit aan thuistalen en gezinsachtergronden.

Onderwijssocioloog Mieke Van Houtte stelt dat extra middelen alleen niet volstaan om de ongelijkheid weg te werken. Volgens haar ligt de oplossing ook in de inrichting van het onderwijs zelf. Ze wijst daarbij op de manier waarop scholen zijn georganiseerd, hoe leerlingen worden gegroepeerd en welke verwachtingen leerkrachten hebben. Die factoren bepalen mee of kinderen met een moeilijkere start hun achterstand kunnen inlopen.

De nieuwe databank maakt het mogelijk om per school en per gemeente te bekijken hoe groot de kansarmoede op de schoolbanken is. Ouders en beleidsmakers kunnen zo zien hoe hun school of gemeente scoort in vergelijking met andere. Die informatie is belangrijk, omdat de samenstelling van de leerlingenpopulatie een grote invloed heeft op de onderwijskansen van elk kind afzonderlijk.

Uit cijfers van het Departement Onderwijs blijkt ook dat leerlingen in de lagere school het vaakst blijven zitten in het eerste leerjaar. Ruim één kind op de twintig deed vorig jaar dat leerjaar opnieuw. Dat cijfer zou kunnen dalen nu kleuters op het einde van de derde kleuterklas verplicht kunnen worden om een jaar langer in de kleuterklas te blijven. Die maatregel moet voorkomen dat kinderen te vroeg naar de lagere school doorstromen en daar later vastlopen.

De cijfers over zittenblijvers en de nieuwe data over onderwijskansen samen tonen dat de ongelijkheid vroeg begint. Kinderen die thuis geen Nederlands horen of opgroeien in een gezin met weinig financiële middelen, starten met een achterstand die moeilijk te compenseren valt. De vraag is niet alleen hoeveel middelen er naar het onderwijs gaan, maar ook hoe die middelen worden ingezet en hoe scholen hun aanpak vormgeven.

Voor ouders die willen weten hoe hun school of gemeente scoort, bieden de vernieuwde Schoolwijzer en de databank ‘Provincies in Cijfers’ een antwoord. De cijfers maken concreet hoe groot de uitdaging is en waar de verschillen het grootst zijn. Daarmee wordt duidelijk dat gelijke onderwijskansen geen abstract begrip is, maar een realiteit die per straat en per school verschilt.