De Nederlandse filmsector laat in 2025 een merkwaardige combinatie zien. Aan de productiekant is er een professioneel systeem met fondsen, internationale coproducties en een bewezen productie-incentive. Aan de publiekskant werd het juist moeilijker: Nederlandse films trokken minder bezoekers en hun marktaandeel in de bioscoop daalde. De kern van het probleem is daardoor niet alleen hoeveel films Nederland maakt, maar hoe die films hun publiek bereiken.
Volgens het Nederlands Filmfonds kwamen in 2025 84 nieuwe Nederlandse films uit. In totaal werden ongeveer 28,3 miljoen bioscoopkaartjes verkocht, waarvan bijna vier miljoen voor Nederlandse producties. Dat klinkt aanzienlijk, maar het aantal bezoeken aan Nederlandse films daalde met 23%. Het marktaandeel zakte naar bijna 14%, tegenover 17,6% in 2024.
Tegelijk is de audiovisuele economie veel groter dan de bioscoop alleen. De totale film- en audiovisuele omzet kwam uit op ongeveer 1,712 miljard euro. Video-on-demand was met circa 1,392 miljard euro veruit de grootste component, maar groeide nog slechts beperkt. Het productievolume lag rond 188,5 miljoen euro. Daarmee is duidelijk dat Nederlandse makers in een markt werken waarin streaming economisch dominant is, terwijl de groei daar niet meer vanzelfsprekend is.
De productie-infrastructuur zelf heeft een sterk aantoonbaar effect. De Netherlands Film Production Incentive zorgde tussen juli 2014 en eind 2024 voor ongeveer 1,04 miljard euro aan Nederlandse productiebestedingen. Voor iedere euro die werd toegekend, werd volgens het Filmfonds 4,08 euro in Nederland besteed. Meer dan de helft van de ondersteunde films en series had internationale partners. Dat maakt de regeling tegelijk een werkgelegenheidsinstrument en een toegangspoort tot Europese coproductie.
Voor een klein taalgebied is dat logisch. Alleen op basis van de Nederlandse bioscoopmarkt zijn middelgrote en grotere producties moeilijk terug te verdienen. Producenten combineren daarom Filmfondsbijdragen, omroep- of platformgeld, buitenlandse partners en soms regionale middelen. Internationale samenwerking vergroot het budget en de afzetmarkt, maar kan ook betekenen dat rechten, creatieve beslissingen en toekomstige opbrengsten over meerdere partijen worden verdeeld.
De daling van het lokale bioscooppubliek wijst op een ander knelpunt. Meer aanbod leidt niet automatisch tot meer zichtbaarheid. Nederlandse films concurreren met grote internationale releases, maar ook met series, games en sociale media. Marketingbudgetten zijn vaak kleiner dan productiebudgetten doen vermoeden. Een film kan technisch en artistiek klaar zijn, terwijl het moeilijk blijft om genoeg mensen te bereiken in de korte periode waarin bioscopen schermen beschikbaar stellen.
Dat maakt de relatie tussen productie en distributie belangrijker. Een steunregeling die alleen kijkt naar bestedingen en draaidagen kan economisch succesvol zijn, maar lost de publieksvraag niet op. Voor de volgende fase moet eerder worden nagedacht over positionering, doelgroep, internationale verkoop en de manier waarop een titel na de première doorleeft. Zeker nu de groei van video-on-demand afvlakt, wordt het lastiger om ervan uit te gaan dat een platform de restwaarde vanzelf opvangt.
Daar komt een ondernemingsvraag bij. Internationale coproductie is voor Nederland bijna vanzelfsprekend, maar de verdeling van rechten bepaalt of een producent na oplevering vooral een uitvoerder blijft of daadwerkelijk vermogen opbouwt. Een gezonde sector heeft bedrijven nodig die tijd en geld kunnen investeren in ontwikkeling voordat een fonds, omroep of platform instapt. Dat vraagt opbrengsten uit een eigen catalogus en voldoende marge om mislukkingen op te vangen. Juist nu bioscoopbezoek en streaminggroei niet vanzelf toenemen, wordt die financiële buffer belangrijker. De Nederlandse filmindustrie kan dus niet alleen worden beoordeeld op hoeveel bestedingen een incentive aantrekt; ook de balans en onderhandelingspositie van de producenten bepalen hoe duurzaam die bestedingen zijn.
Nederland beschikt dus over een goed georganiseerde productiemachine, maar de markt verandert sneller dan de financieringsarchitectuur. De sterkste strategie is waarschijnlijk niet simpelweg méér films maken. Het gaat om films die vanaf ontwikkeling weten voor wie ze zijn, coproducties die Nederlandse makers voldoende rechten laten houden en een distributieketen die lokale titels langer zichtbaar maakt. De cijfers van 2025 maken duidelijk dat productiecapaciteit alleen niet genoeg is; aandacht is de nieuwe schaarse grondstof.