De autoverkoop in 2026 lijkt vooral overeind te blijven dankzij kopers die een auto zonder lening kunnen aanschaffen. Wie het geld op de bank heeft staan, is minder afhankelijk van financieringsvoorwaarden en kan een nieuwe of gebruikte auto direct afrekenen. Daardoor blijft de markt draaien, ook al wordt het voor een groot deel van het koopkrachtige publiek steeds duurder om een auto op krediet te kopen.
Het probleem zit in de leenrentes. Voor consumenten die financiering nodig hebben, maken hogere rentepercentages de maandlasten van een autolening aanzienlijk zwaarder. Een auto die op papier betaalbaar lijkt, wordt in de praktijk minder haalbaar wanneer de rente en de looptijd van het krediet meetellen. Gezinnen en kopers met een smallere financiële ruimte stellen daardoor vaker de aanschaf uit of kiezen voor een goedkopere auto dan ze oorspronkelijk van plan waren.
Voor de branche betekent dit een kwetsbare balans. De verkoop van nieuwe en gebruikte auto's leunt sterk op kopers die weinig last hebben van de financieringskosten. Als deze groep kleiner wordt of minder bereid is uit te geven, komt de totale vraag onder druk te staan. Dealers en fabrikanten die rekenen op een stabiele omzet, zijn daarmee afhankelijk van een koperspubliek dat zich in meerdere snelheden beweegt.
Voor kopers die zelf een auto zoeken, is de les helder: reken de totale kosten door, niet alleen de catalogusprijs of de maandlast. Let bij financiering op het totale kredietbedrag, de rente, de looptijd en eventuele restwaarderegelingen. Vergelijk ook wat een contante aankoop, lease of lening op de lange termijn kost, inclusief afschrijving, verzekering en onderhoud, zodat de keuze gebaseerd is op de werkelijke cijfers en niet op een aantrekkelijke maandtermijn.
Wie een auto op krediet overweegt, doet er verstandig aan om meerdere aanbiedingen naast elkaar te leggen voordat een contract wordt getekend. Vraag om het totale terug te betalen bedrag, niet alleen om het maandbedrag, en controleer of er kosten voor vroegtijdige aflossing gelden. Een lagere maandtermijn met een langere looptijd kan op het eind duurder uitvallen dan een hogere termijn met een kortere looptijd.