De Duitse economie, de belangrijkste handelspartner van Nederland, raakt zonder stevige innovatie ‘heel snel achterop’. Dat zegt Monika Schnitzer, voorzitter van de Duitse regeringsadviseurs, tegen Nieuwsuur. “Andere landen komen wél in beweging.” De Duitse regering komt daarom met een hervormingspakket om bedrijven te stimuleren te investeren, maar de vraag is of de grote industrieën zich laten veranderen.
De economische groei in Duitsland stelt al jaren weinig voor. Grote concerns ontslaan duizenden mensen; in de auto-industrie verdwijnen tot 2030 naar verwachting 100.000 banen. De diagnose is bekend: hoge energieprijzen drukken op de industrie, maar bedrijven hebben ook zelf verzaakt zich aan te passen aan het digitale tijdperk. Autoconcerns hielden lang vast aan brandstofmotoren, terwijl China snel succes boekte met elektrische auto’s. Ook overheid en bedrijven blijven veel op papier werken, terwijl andere landen hun bureaucratie digitaliseren.
Roland Boekhout, voorzitter van de Duits-Nederlandse Handelskamer en bestuursvoorzitter van de ASN Bank, ziet digitalisering als de kern van het probleem. “De digitale dienstverlening moet enorme stappen zetten, want daarmee hangt productiviteitsverhoging samen. Het klinkt simpel, maar het begint echt bij online belastingaangifte doen, betalen met je pinpas, telefoon of horloge.” Ondernemers in Duitsland krijgen volgens hem met veel meer papierwerk te maken dan in Nederland gebruikelijk is. “Die bureaucratie staat in de weg om nieuwe dingen te ontwikkelen. Nieuwe initiatieven kosten heel veel tijd.”
Schnitzer zegt dat Duitsers te weinig zien wat ze kunnen winnen bij vernieuwing. “Verandering is iets wat mensen moeilijk vinden. Ze zien altijd alleen maar wat ze verliezen.” Dat geldt ook voor de grote industrieën die lang cruciaal waren voor de Duitse economie. Daardoor verliest Duitsland terrein op landen die wél vooruitkomen. “We zien vooruitgang in een razend tempo, met name op het gebied van kunstmatige intelligentie in de Verenigde Staten. We zien dat China een zeer grote concurrent is geworden. Ook dat hadden velen tien jaar geleden nog niet zo op de radar. En dat zal doorgaan.”
Het oude Duitse verdienmodel, de export van klassieke industriële producten, is volgens Schnitzer binnenkort voorbij. Qua prijs kunnen auto’s en andere producten niet concurreren met China. Importheffingen die de Europese industrieën beschermen tegen Chinese concurrentie, hebben grote autoconcerns mogelijk gered, maar hebben ook geleid tot minder prikkels om te vernieuwen. “Het herstructureringsproces verloopt bij ons te traag. En er is te weinig aanwas van nieuwe bedrijven.”
Toch denkt Schnitzer dat de Duitse industrie weer kan floreren. “We zijn er vroeger in geslaagd om met bijzonder hoogwaardige, technologisch zeer geavanceerde producten klanten aan te trekken, die vervolgens bereid waren om voor deze geweldige producten ook een bijzonder hoge prijs te betalen. En precies in die richting moeten we werken. Dat zou de toekomst zijn, en niet zozeer altijd alleen maar letten op de vraag: hoe kunnen we wat we tot nu toe hebben gedaan, bij ons in stand houden?”
Boekhout en Schnitzer hebben vertrouwen in de opkomst van nieuwe bedrijven. “Een kwart van de start-ups wordt omgezet in scale-ups in Nederland. In Duitsland is dat 40 procent. De potentie is er. Als Nederland en Duitsland hun krachten bundelen op digitalisering en energiestrategie, zouden we samen profiteren”, zegt Boekhout. Schnitzer voegt toe: “Laat geen crisis onbenut. Als de situatie eenmaal moeilijk genoeg is, kun je doorgaans ook gemakkelijker duidelijk maken dat er nu iets moet veranderen, omdat de status quo dan toch niet meer houdbaar is.”
Correspondent Duitsland Charlotte Waaijers ziet dat nieuwe problemen zich stapelen op oude problemen. Het is in Duitsland relatief duur om te produceren en er is veel papierwerk. Industriële producenten hebben steeds meer last van Chinese concurrentie en Amerikaanse importheffingen. Daar kwam de lage waterstand in de Rijn bij, wat transport lastig maakt. Door de oorlog in Iran stijgen de energieprijzen. De regeringspartijen voelen de druk van de kwakkelende economie. Ze investeren fors in infrastructuur en defensie en proberen de bureaucratie terug te dringen. Maar structurele hervormingen zijn politiek lastig: de christendemocraten en sociaaldemocraten verschillen bijvoorbeeld over de arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Doordat ze onder druk staan in de peilingen, zijn ze bang hun achterban van zich te vervreemden. Daardoor kunnen hervormingen minder vergaand uitpakken.