De Oranjes hebben eeuwenlang actieve en onscrupuleuze steun verleend aan het kolonialisme en de slavernij, maar hadden relatief weinig invloed op het Nederlandse koloniale beleid. Dat concludeert een onderzoekscommissie onder leiding van historicus Gert Oostindie, die op verzoek van koning Willem-Alexander jarenlang onderzoek deed naar de rol van zijn familie in de koloniale geschiedenis. De resultaten, verdeeld over vijf boeken en ruim tweeduizend pagina's, werden vrijdag overhandigd in het Academiegebouw in Leiden.
Volgens Oostindie was er sprake van «eeuwenlange actieve en onscrupuleuze steun aan het kolonialisme, met inbegrip van de slavernij zolang die bestond». Alle stadhouders, koningen en koninginnen tot en met Wilhelmina waren overtuigd van de legitimiteit van het kolonialisme en het belang ervan voor Nederland. «Het Huis Oranje-Nassau was met overtuiging en zonder wezenlijke bedenkingen betrokken bij het kolonialisme», aldus Oostindie. Tot het aantreden van koningin Juliana in 1948 werd vanuit de paleizen nooit kritiek geuit op het kolonialisme en nooit gepleit voor een andere koers.
Tegelijk waren de Oranjes slechts bij uitzondering bepalend voor het Nederlandse kolonialisme. Alleen koning Willem I, die regeerde van 1813 tot 1840, bepaalde vrijwel in zijn eentje het koloniale beleid. De stadhouders vóór hem moesten het overlaten aan de Staten-Generaal en de machtige VOC, en de constitutionele monarchen na hem zagen hun macht afnemen door de groeiende invloed van het parlement. «Zonder de Oranjes was Nederland ook wel een koloniale mogendheid geworden», concludeert Oostindie. Wel speelden de Oranjes een belangrijke rol in de symbolische legitimering van het kolonialisme, zowel in de koloniën als in eigen land.
Financieel profiteerden de Oranjes vooral van de VOC en later van Nederlands-Indië. In de negentiende eeuw verdienden ze daaraan omgerekend een half miljard euro. Aan de trans-Atlantische slavenhandel en Caribische slavernij verdienden ze vrijwel niets, niet omdat ze dat niet wilden, maar omdat de West-Indische Compagnie weinig succesvol was en vooral verliezen opleverde. Daarnaast ontvingen de Oranjes uit hoofde van hun functie toelages van koloniale bedrijven, goed voor omgerekend zo'n 86 miljoen euro over twee eeuwen. Dat heeft nauwelijks bijgedragen aan het huidige vermogen van het koningshuis; stadhouder Willem V ontvluchtte het land in 1795 in berooide staat.
De commissie concludeert dat het koloniale verleden niet strookt met een «rooskleurig nationaal zelfbeeld». Eigenbelang, geweld, racisme en schade kunnen volgens Oostindie niet worden losgezien van de vaderlandse geschiedenis. «En in die geschiedenis speelde het Huis Oranje-Nassau een eigen rol, met overtuiging betrokken, en dus zonder enige twijfel medeverantwoordelijk.»
Koning Willem-Alexander reageerde na de presentatie dat de conclusies «schrijnend en confronterend» zijn. Hij noemde het onderzoek belangrijk en zei dat hij de uitkomsten zal bestuderen. De koning bood op 1 juli 2023 al excuses aan voor het nalaten van zijn voorouders om in te grijpen bij de Atlantische slavernij. Oostindie noemt die excuses terecht: «De koning verklaarde dat zijn voorouders hadden nagelaten zich te verzetten tegen die slavernij. Dat was een krachtige en correcte uitspraak.»
Het onderzoek, waaraan meer dan zestig onderzoekers meewerkten, beslaat de periode van de late zestiende eeuw tot het postkoloniale heden. Naast Oostindie zaten historicus Esther Captain, oud-politicus Kathleen Ferrier en hoogleraar Henk te Velde in de commissie. Koning Willem-Alexander gaf in december 2022 opdracht tot het onafhankelijke onderzoek en verleende toegang tot de koninklijke archieven. De onderzoekers merken op dat de excuses en het vragen om vergiffenis door een constitutioneel vorst vooruitstrevend zijn en nog nergens anders in Europa zijn voorgekomen.