De lonen die in cao's zijn afgesproken, stijgen nog altijd harder dan de prijzen. Daardoor gaan werknemers er in koopkracht op vooruit. In het derde kwartaal van dit jaar lagen de cao-lonen gemiddeld 4 procent hoger dan in dezelfde periode een jaar eerder. Dat blijkt uit cijfers over de ontwikkeling van de cao-lonen.
Wel neemt het tempo van de loonstijging verder af. De tijd van grote loonstijgingen lijkt daarmee voorbij. De stijging van 4 procent is nog altijd hoger dan de inflatie, waardoor het reële loon — het loon gecorrigeerd voor prijsstijgingen — toeneemt. Werknemers houden dus per saldo iets meer over, al is de marge beperkt.
Tussen sectoren bestaan duidelijke verschillen. Werknemers in de bouw kregen er met een salarisstijging van 5 procent het meest bij. Horecapersoneel bleef achter met een plus van net geen 3 procent. Daarmee loopt de bouw voor op het landelijk gemiddelde, terwijl de horeca daar juist onder blijft.
De afzwakkende loongroei sluit aan op een bredere trend. Na een periode waarin lonen in cao's fors omhoog gingen, vlakt de stijging nu af. Dat betekent niet dat lonen dalen, maar wel dat het tempo waarin ze stijgen lager ligt dan voorheen. Voor werknemers blijft het netto-effect positief zolang de loonstijging boven de inflatie uitkomt.
De cijfers zeggen vooral iets over de afspraken die werkgevers en vakbonden in cao's hebben vastgelegd. Ze geven een beeld van de loonontwikkeling in een groot deel van de arbeidsmarkt, maar niet van elke individuele werknemer. Wie niet onder een cao valt, kan een andere loonontwikkeling hebben.
Of de loonstijging boven de prijsstijging blijft, hangt af van hoe lonen en prijzen zich de komende kwartalen ontwikkelen. Zolang de cao-lonen harder stijgen dan de prijzen, gaan werknemers er in koopkracht op vooruit. Zwakt de loonstijging verder af of trekt de inflatie aan, dan kan dat voordeel kleiner worden.