Duitsland heeft in 2026 een groter begrotingstekort, een oplopende staatsschuld en een industrie die nog niet overtuigend herstelt. Dat klinkt als een klassieke financiële crisis, maar dat is niet wat de cijfers laten zien. De Duitse staat kan zich nog financieren en kiest er juist bewust voor om meer te lenen. Het probleem zit vooral in de vraag of dat extra geld de economie productiever maakt.
De conjunctuur is iets verbeterd. Na een herziening van de cijfers blijkt dat het Duitse bbp in 2024 niet kromp maar stagneerde. In 2025 kwam er 0,2% groei bij. In het eerste kwartaal van 2026 groeide de economie met 0,4% ten opzichte van het kwartaal ervoor, in het tweede met 0,3%. De export nam in het tweede kwartaal met 2,0% toe.
Toch blijft het herstel broos. De bruto-investeringen in vaste activa daalden in het tweede kwartaal met 0,2% en de investeringen in machines en apparatuur met 1,4%. In juli nam de productie in de Duitse industrie met 1,1% af ten opzichte van juni. De autoproductie daalde met 9,2%, deels door productiestops die meerdere weken duurden.
Ook bij de orders is het beeld gemengd. Het totaal steeg in juli met 2,5%, maar zonder grote orders was er juist een daling van 1,4%. Over de drie maanden mei tot en met juli lagen de orders zonder grote contracten 2,2% lager dan in de drie maanden ervoor. Grote projecten helpen dus, maar het brede bedrijfsleven laat nog geen duidelijke investeringsgolf zien.
Daarom heeft de Duitse regering haar eigen rol sterk vergroot. De federale begroting voor 2026 bevat €524,5 miljard aan uitgaven en €98 miljard aan nieuwe nettoleningen. Daarnaast is er een speciaal fonds van €500 miljard voor infrastructuur en klimaatneutraliteit, verspreid over twaalf jaar. Daarvan is €300 miljard bestemd voor de federale investeringspijler. In 2025 werd uit het fonds al ongeveer €24 miljard uitgegeven.
De staatsschuld bedroeg eind 2025 €2,84 biljoen, oftewel 63,5% van het bbp. Dat was €144 miljard meer dan een jaar eerder. Het tekort van de overheid volgens de Europese nationale-rekeningenmethode kwam in 2025 uit op 2,7% van het bbp.
Er is dus geen beeld van een land dat zijn schulden niet meer kan dragen. Wel verandert het begrotingsbeleid duidelijk. De Europese Commissie verwacht dat het tekort oploopt naar 3,7% van het bbp in 2026 en 4,1% in 2027. De schuldquote zou daarbij stijgen naar 65,8% en 68,0%. De Bundesbank ziet in een langer perspectief een tekort rond 5% en een schuldquote rond 70% in 2028.
Voor Nederland is vooral de besteding van dat geleende geld van belang. Duitsland is een grote afzetmarkt en een belangrijke schakel in Europese productie- en logistieke ketens. Extra investeringen in spoor, energienetten, wegen en digitalisering kunnen opdrachten creëren en de verbindingen in Noordwest-Europa verbeteren. Als de Duitse industrie hierdoor weer meer gaat investeren, kan dat ook bij Nederlandse leveranciers en dienstverleners merkbaar worden.
Maar er is een tweede scenario. Als meer schuld vooral nodig is om stijgende structurele uitgaven te betalen, wordt het begrotingsbeleid minder krachtig als groeimotor. De Duitse gemeenten hadden in 2025 volgens de financiële statistiek een recordtekort van €31,9 miljard. In de eerste helft van 2026 had de sociale verzekering een tekort van €1,8 miljard. Hogere zorg-, pensioen- en rentelasten concurreren daarmee met investeringen om hetzelfde begrotingsgeld.
De arbeidsmarkt maakt het beeld niet eenvoudiger. In augustus waren 3,061 miljoen mensen als werkloos geregistreerd en bedroeg het Duitse nationale werkloosheidspercentage 6,5%. Het aantal werkenden lag in juli ongeveer 226.000 lager dan een jaar eerder. Dat is geen instorting van de arbeidsmarkt, maar wel een verlies aan dynamiek.
Daar komt inflatie bij. De consumentenprijzen lagen in augustus voorlopig 2,9% hoger dan een jaar eerder. Energie was 10,5% duurder. Voor huishoudens betekent dat opnieuw druk op de koopkracht; voor industrie en logistiek betekent het hogere kosten.
De Bundesbank wijst bovendien op een langduriger probleem: de Duitse prijsconcurrentie is in het afgelopen decennium duidelijk verslechterd en het land heeft marktaandeel in de export verloren. Dat maakt duidelijk waarom de huidige begrotingsimpuls meer moet doen dan alleen de vraag ondersteunen. Hij moet ook helpen de productiviteit en het vestigingsklimaat te verbeteren.
Voor Nederlandse bedrijven en beleidsmakers is daarom de Duitse schuldquote op zichzelf niet de beste graadmeter. Belangrijker zijn de investeringen in machines, de breedte van de industriële orders, de energieprijzen en de snelheid waarmee infrastructuurgeld wordt omgezet in echte projecten.
Duitsland koopt met extra schuld tijd om zijn economische model te vernieuwen. Als infrastructuur en private investeringen aantrekken, kan dat een sterkere Duitse vraag opleveren. Als de industrie zwak blijft en vaste uitgaven sneller groeien dan de economie, neemt juist de druk op de grootste economie van de eurozone toe. De komende kwartalen zullen laten zien welke kant het opgaat.