Europa wil minder afhankelijk worden van buitenlandse technologie. De Europese Commissie zet daarom in op eigen chips, cloudcapaciteit, AI-infrastructuur en open software. Dat is een duidelijke verschuiving: niet alleen regels maken voor digitale bedrijven, maar ook zelf meer bouwen.
Europese instellingen schatten dat meer dan 80 procent van belangrijke digitale producten, diensten, infrastructuur en intellectueel eigendom afhankelijk is van landen buiten de EU. Drie niet-Europese hyperscalers hebben samen meer dan 70 procent van de Europese cloudmarkt. Het Europese aandeel in de wereldwijde chipmarkt ligt rond 9 procent.
Brussel probeert die achterstand met industriebeleid te verkleinen. Eind juli volgde een oproep voor maximaal zeven grote AI-fabrieken. Daarvoor is tot 10 miljard euro publieke steun voorzien, bedoeld om minstens 20 miljard euro private investeringen los te maken.
Maar wie naar het dagelijks gebruik kijkt, ziet een ander probleem. De Europese Commissie noemt TikTok, Facebook, Instagram en LinkedIn gatekeepers bij sociale netwerken. WhatsApp en Messenger zijn gatekeepers in berichtenverkeer en YouTube in video.
Instagram meldde in de tweede helft van 2025 ongeveer 288,7 miljoen gemiddeld maandelijks actieve ontvangers in de EU, Facebook ongeveer 263 miljoen en TikTok circa 178 miljoen. De groepen overlappen en de cijfers mogen niet worden opgeteld, maar ze geven de schaal aan.
De analyse van The Bizzi Route noemt dit de ontbrekende gebruikerslaag. Europa kan servers en chips onder eigen regie brengen zonder automatisch de plek te beheren waar mensen communiceren, nieuws vinden en relaties onderhouden.
Dat is belangrijk voor Nederland, juist omdat de digitale infrastructuur hier sterk ontwikkeld is. Een land kan uitstekende verbindingen, datacenters en technische kennis hebben, maar consumenten blijven diensten kiezen op basis van gemak en vooral op basis van wie er al zit.
Dat maakt een berichtenapp anders dan een gewone softwareaankoop. Voor een bedrijf kan een betere prijs of betere beveiliging genoeg zijn om van leverancier te wisselen. Voor een gebruiker is een nieuwe messenger pas bruikbaar als vrienden, familie en collega's bereikbaar blijven.
Daar probeert de Digital Markets Act iets aan te veranderen. Alternatieve berichtenapps mogen interopereren met WhatsApp en Messenger. Volgens de Commissie zijn daardoor al nieuwe aanbieders op de markt gekomen.
Interoperabiliteit verlaagt de overstapdrempel, maar lost niet alles op. Een Europese dienst moet nog steeds vertrouwen winnen, een goed product bouwen en gebruikers vasthouden.
De volgende stap in Europees technologiebeleid gaat daarom niet alleen over capaciteit, maar ook over bereik. Pas wanneer Europese diensten zonder sociaal verlies kunnen concurreren om gewone gebruikers, krijgt technologische autonomie betekenis op het scherm zelf.