België zal zelden de Europese ranglijst aanvoeren met het grootste aantal bioscoopbezoekers of de duurste nationale producties. Toch is het land al jaren opvallend aanwezig in Europese filmcredits. Dat is geen toeval. De Belgische filmsector is gebouwd als een netwerk: federale fiscale steun, regionale fondsen, gespecialiseerde producenten en coproducties met vooral Frankrijk, Nederland en andere Europese partners. Het resultaat is een industrie die haar beperkte thuismarkt compenseert met financiële hefboom en internationale samenwerking.
De cijfers van Screen Flanders tonen hoe dat model werkt. In 2025 kregen over twee oproepen 22 projecten samen 4,9 miljoen euro steun. Volgens het fonds moesten die projecten meer dan 40,2 miljoen euro aan in aanmerking komende audiovisuele uitgaven in Vlaanderen opleveren. Dat betekent een hefboom van 8,21 euro aan lokale bestedingen voor elke euro steun. De portefeuille was bovendien netjes verdeeld: elf series en elf langspeelfilms, met evenveel Belgische meerderheidsproducties als minderheidscoproducties.
Die verhouding zegt veel over de Belgische positie. Een klein land kan moeilijk elk project volledig uit eigen markt financieren. Coproductie is daarom geen noodoplossing, maar een structureel onderdeel van het bedrijfsmodel. Belgische producenten brengen financiering, crews, postproductie, locaties en creatieve expertise in, terwijl partners toegang bieden tot grotere distributiemarkten en extra fondsen. Daardoor kan een film economisch Belgisch relevant zijn zonder dat hij volledig Belgisch gefinancierd of uitsluitend op het Belgische publiek gericht is.
Daarbovenop komt de federale Tax Shelter. Die regeling laat ondernemingen die in België gevestigd zijn investeren in audiovisuele producties in ruil voor een fiscaal voordeel. Voor de producties is vooral de verplichte koppeling aan Belgische uitgaven belangrijk. Het systeem zet privékapitaal om in concrete activiteit op de set, bij technische leveranciers en in postproductie. De regionale fondsen sturen tegelijk op culturele en economische meerwaarde. Precies die gelaagde architectuur maakt België aantrekkelijk voor projecten die verschillende financieringsbronnen combineren.
Het zwakke punt ligt aan de andere kant van de keten: het publiek. In 2025 telden de Belgische bioscopen naar schatting 13,1 miljoen bezoeken, ongeveer 11,7 procent minder dan een jaar eerder. Dat is geen directe maat voor de kwaliteit van de lokale productie, maar het maakt distributie wel moeilijker. Een film kan succesvol financiering aantrekken en lokaal veel werk creëren, maar daarna alsnog moeite hebben om voldoende schermtijd en aandacht te krijgen in een markt waarin grote internationale releases domineren.
Voor Vlaamse producenten komt daar de institutionele complexiteit bij. België heeft geen enkel centraal filmsysteem: Vlaanderen, de Franse Gemeenschap en het federale niveau hebben elk hun eigen instrumenten. Dat levert veel toegangspunten op, maar vraagt ook expertise. Producenten die de combinatie van Tax Shelter, regionale steun, omroepgeld en buitenlandse coproductiefondsen beheersen, hebben een duidelijk voordeel. Voor nieuwkomers kan dezelfde structuur juist moeilijk toegankelijk zijn.
De volgende groeifase hoeft daarom niet simpelweg uit meer films te bestaan. De economische hefboom is al sterk. Belangrijker wordt hoe Belgische films herkenbaarder worden voor het eigen publiek en hoe producenten rechten behouden wanneer projecten internationaal worden opgezet. Ook de positie tegenover streamingplatforms speelt mee: internationale opdrachten kunnen veel lokale werkgelegenheid creëren, maar bouwen niet automatisch een duurzame catalogus van Belgisch intellectueel eigendom op.
Een tweede maatstaf voor succes ligt daarom bij de producent zelf. Wanneer een bedrijf na een coproductie alleen de vergoeding voor de uitvoering overhoudt, blijft het kwetsbaar voor de volgende financieringsronde. Wanneer het ook een betekenisvol aandeel in de rechten, verkoopopbrengsten en vervolgontwikkeling behoudt, kan één film kapitaal leveren voor de volgende. Dat onderscheid is belangrijk in een klein land waar de binnenlandse box office zelden voldoende is om een volledige productieslate te dragen. Het Belgische model is sterk in het stapelen van geldstromen; de volgende stap is zorgen dat die financiële verfijning ook leidt tot sterkere ondernemingen die zelf projecten kunnen initiëren, talent langer kunnen binden en een eigen catalogus opbouwen.
België heeft kortom een filmindustrie die groter functioneert dan de omvang van de thuismarkt doet vermoeden. De kracht zit niet in schaal op zichzelf, maar in het vermogen om geld, talent en partners over grenzen heen samen te brengen. De vraag voor de komende jaren is of dat financieringsmodel ook genoeg ruimte blijft geven aan films die niet alleen in België worden gemaakt, maar er ook een langdurige relatie met het publiek opbouwen.