Donald Trump heeft bij het Amerikaanse Hooggerechtshof een belangrijke tussenoverwinning geboekt in zijn strijd om strengere regels voor stemmen per post. De uitspraak betekent echter niet dat zijn plan definitief grondwettig is verklaard.
Het Supreme Court schortte op 24 augustus met zes tegen drie stemmen een uitspraak van een federale rechter in Massachusetts op. Die uitspraak blokkeerde delen van Executive Order 14399 voor 23 staten en het District of Columbia. Door de beslissing krijgt de regering meer ruimte om het beleid verder voor te bereiden in aanloop naar de tussentijdse verkiezingen van 3 november.
De meerderheid richtte zich vooral op een procedurele vraag: hadden de staten op dit moment voldoende concrete schade aangetoond om de federale regering aan te klagen? Volgens het Hof heeft de regering een redelijke kans om te winnen met het argument dat die zogenoemde standing ontbreekt.
Dat is iets anders dan een oordeel over de inhoud. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de president volgens de Grondwet het recht heeft om de organisatie van stemmen per post ingrijpend te veranderen. Die vraag blijft onderdeel van de lopende procedures.
Trumps decreet van 31 maart bevat meerdere onderdelen. Het Department of Homeland Security moet werken aan lijsten van bevestigde Amerikaanse burgers per staat. Het Department of Justice moet onderzoeken en mogelijke vervolging prioriteit geven wanneer federale stembiljetten aan niet-kiesgerechtigden worden verstrekt. De Amerikaanse postdienst USPS moet nieuwe regels maken voor stembiljetten die per post worden verstuurd.
Die postregels gaan onder meer over verplichte kenmerken van enveloppen, unieke barcodes en lijsten van kiezers die per post een biljet ontvangen. Het Witte Huis zegt dat dit de controle op staatsburgerschap, de traceerbaarheid en het vertrouwen in de verkiezingen moet verbeteren.
Tegenstanders vinden dat de president hiermee te ver in het terrein van de staten komt. De Amerikaanse Grondwet legt de uitvoering van federale verkiezingen in belangrijke mate bij de staten, terwijl het Congres regels kan stellen. Rechter Ketanji Brown Jackson schreef in haar afwijkende mening dat de regering niet heeft aangetoond dat de president de bevoegdheid heeft om de administratie van stemmen per post op deze manier te bepalen.
Daar komt bij dat er nog een andere blokkade geldt. In de zaak League of Women Voters of Massachusetts v. Trump is een deel van de postregels nog steeds tegengehouden. USPS heeft in de definitieve regeling zelf opgenomen dat de nieuwe eisen voor de verkiezingen van 2026 niet worden ingevoerd zolang de regering geen verlichting krijgt van de nog geldende rechterlijke bevelen.
De tijd is bovendien kort. In sommige staten begint de verzending van stembiljetten al begin september. Verkiezingsdiensten hebben drukcontracten, databestanden, wettelijke termijnen en vaste procedures. Een rechterlijke uitspraak kan een juridische hindernis wegnemen, maar verandert niet automatisch alle praktische systemen die al draaien.
Trumps eigen geschiedenis met stemmen per post maakt de politieke discussie opvallend. In 2020 stemde hij zelf per post in de presidentsvoorverkiezing van Florida. Later vroeg hij opnieuw een stembiljet per post aan en riep hij kiezers in Florida op hetzelfde te doen, omdat hij het systeem daar veilig vond.
Voorlopig is de kern daarom eenvoudig. Trump heeft één juridische blokkade tijdelijk uit de weg geruimd. Hij heeft nog geen definitieve uitspraak dat zijn hele plan is toegestaan. De komende weken draaien om nieuwe rechtszaken, de resterende blokkade en de vraag of grote technische veranderingen überhaupt nog uitvoerbaar zijn voordat de eerste stembiljetten onderweg zijn.